De uitrusting van de Romeinse ruiters

Hoewel de uitrusting van de ruiters en de paarden voor het hele leger dezelfde moesten zijn, zat er verschil in kwaliteit van uitvoering van dit materiaal al naar gelang de status van de ruiter (de legionairs werden net iets beter betaald dan hun collega's van de vleugels en de gemengde troepen).

De ruiter droeg militaire sandalen (caligae), een leren broek (bracae), een korte tuniek van rood linnen, een leren vest (subarmalis) die zijn uniform beschermde tegen het schuren van zijn wapens en een maliënkolder (lorica hamata) of een bronzen of ijzeren schubbenvest (lorica squamata)

De helmen van de ruiters waren heel anders dan die van de infanterie: de nekbescherming was veel kleiner en er zat geen bescherming aan de voorkant. Wel was er een speciale bescherming die de oren bedekte en de afwerking uit geslagen ijzer of brons was bijzonder verzorgd (die leek meestal op een menselijke haardos. Sommige helmen hadden zelfs een echte haardos van menselijk haar, of van paardenmanen of berenvacht, tot matjes gevlochten).

De linker flank van de legioenruiter werd beschermd door zijn schild (clipeus), die een zeshoekige of ovale vorm had (Gallische invloed), waarschijnlijk versierd met bekende symbolen van de legionairs zoals vleugels, hoorns, bliksemschichten. Testen tonen aan dat het onvermijdelijk was dat het schild vastgemaakt zat met een riem zodat de linker hand vrij bleef om de teugels vast te houden. In geval van nood kon de ruiter de teugels loslaten en snel en makkelijk de clipeus ter hand nemen om zich te beschermen. 

Met de rechter hand werden de wapens bediend: de lans (hasta), die men tegen de arm hield, of het lange zwaard (spatha). De spahta zat in zijn schede, aan de rechterkant van de ruiter, vastgemaakt met een militaire riem (cingulum). Aan zijn linkerkant bungelde de dolk (pugio). Meestal hing er een koker met korte speren (iaculi) over de rechter flank van het paard, die dan werd vastgemaakt aan het uitsteeksel rechtsachter op het zadel, de steger.

Het paard werd dus met de linker hand geleid en gedurende de strijd ook met de benen de voeten en gewichtsverplaatsing van de bereider (uiteraard zal de ruiter ook zijn stem gebruikte hebben). Analyse van overblijfselen van Romeinse paarden toont aan dat deze paarden net wat groter waren dan de paarden van de Galliërs (die tussen 1,38 m. en 1,53 m. hoog waren). Diverse paardenrassen met verschillende kwaliteiten werden onderzocht door het Romeins leger. Er werden paardenrassen gekruist om zo het beste uit elk ras te krijgen en om de schoft van het paard te verhogen.

Het paardenzadel dat de Romeinen gebruikten is in feit de verbeterde uitvoering van die van de Galliërs. Als onmiskenbare heersers op het gebied van ruiterij hadden de Galliërs het zadel reeds een eeuw voor Caesar in gebruik. Het zadel bestond uit een zadelboog van hout en vier bronzen uitsteeksels, het geheel was bekleed met leer en had geen stijgbeugels. De ruiter bleef stevig in het zadel zitten door het gebruik van de vier uitsteeksels waardoor de dijbenen of de onderrug min of meer vast zaten tijdens de verschillende manoeuvres. Het zadel werd op zijn plek gehouden met een lange leren riem die om de buik van het paard zat en een andere rond zijn achterste. Om het er wat mooier uit te laten zien werden de riemen versierd met zilveren metalen plaatjes, in de vorm van onder andere maantjes, en andere versierselen. Om de rug van het paard te beschermen tegen het schuren van het zadel werd een stuk schapenvacht onder een lang en stevig zadeltapijt gelegd.

Met behulp van een Romeins zadel kunnen uiteenlopende uitrustingen worden vervoerd, die aan de stegers worden bevestigd en aan de leren riemen. Bijvoorbeeld de mantel (paenula), de kom (patera), of een net met het rantsoen. De woorden van de historisch filosoof Flavius Arrianus tonen aan dat de Romeinse ruiter goed getraind en gehard was. Hij doorstond veelvuldig de Gallische en Iberische aanvalsmanoeuvres terwijl hij ondertussen steeds de namen onthield die werden gebruikt in die talen (petrinos, Cantabrijnse aanval).

De teugel leek wel wat op het moderne simpele tuig maar was ook versierd met kleine metalen vormpjes.

De Romeinen gebruikten ook een soort toom, en specifieke bits, die uiterst hard waren in de mond van het paard. Wij gebruiken zulke oorlogsbits niet terwijl we ons er intussen wel van bewust zijn dat dit materiaal, waarvoor een erg zwakke hand vereist is, de ruiter meer controle over het paard geeft.

Top

Developed by Defimedia