![]() |
![]() |
De bouwkunstDe overblijfselen van de villa op Malagne zijn nog altijd zichtbaar. Vooral het hoofdverblijf met de badkamers is opmerkelijk.Ten tijde van de restauratie heeft de techniek van het metselkanon ervoor gezorgd dat de muren verstevigd werden zonder ze te bedekken. Het is daardoor mogelijk om alle vertrekken te betreden, waardoor het bezoek des te aantrekkelijker wordt. De bouw van het hoofdverblijf, werd begonnen in de Ie eeuw n.Chr., en omvat de belangrijkste woonvertrekken (eetkamer, keuken, kamers), kelders en andere vertrekken waarvan het gebruik nog niet met zekerheid is aangetoond. Het wordt aan drie zijden omringd door een open gallerij met aan de buitenzijde pilaren van 4 m. hoogte, zoals afgebeeld in de vitrines in de aankomsthal. Eén van de kelders is erg goed bewaard gebleven waardoor men kleine nissen in de muur kan zien die dienden om olielampen in te zetten, een kelderraam, bouwgaten (die in de muur zijn achtergebleven nadat de bouwsteigers geen dienst meer deden) en sporen van metselspecie die de muur bedekte en waarin men duidelijk de met de dolk uitgegraven voegen tussen de stenen ziet, opdat de pleisterlaag gemakkelijker hechtte. Omdat het gebouw op een heuvel is gebouwd, is er hoogteverschil aan de noordzijde en de muren moeten verstevigd zijn geweest door zware stenen en halfronde ophogingen. Aan het andere uiteinde van het vertrek, aan de zuidzijde, is een gebouw van 30 m. lang rechtstreeks op de rots gebouwd die daar ligt, waarin uitgebreide badmogelijkheden waren gehuisvest: garderobe, warme baden, lauwe kamers, koude baden, sudatorium (stoomhok), etc. De verschillende vertrekken zijn nog erg goed zichtbaar, maar het werkelijke baden traject is slecht te onderscheiden. In het caldarium (bij de warme baden) vindt men nog sporen van het verwarmingssysteem: tubuli, cellen en grondplavuizen van terracotta. Het vertrek werd verwarmd door muur- en grondverwarming. Dit gebeurde via het verspreiden van de hete lucht van een haard, onder de grond en in de holle muren. Om dit comfort te bereiken hebben de bouwers de rotssteen tot 1,20 m. diepte moeten uitdiepen. Op de grond van de badkamers, heeft men sporen aangetroffen van een waterleidingsysteem dat het gebruikte water vanuit de badkamers richting de poepdozen spoelde, de toiletten die toendertijd werden gebruikt. Zodoende werd dit water opnieuw gebruikt om de wc door te spoelen. Ook werd er regenwater opgevangen om in de badkamers te gebruiken. In de ontvangsthal van Malagne hangen er borden aan de muur waarop een geverfd Romeinse pleisterlaag zijn nagemaakt. Ten tijde van de Romeinen smeerde men verschillende lagen van kalk en zand op de muren, die daarna werden gedecoreerd met verf. Er moesten dus eerst scheidingswanden worden opgetrokken met specielagen, daarna werd een ontwerp geschetst en uiteindelijk weden de motieven op de muur geschilderd. De gebruikte kleurstoffen waren van dierlijke, minerale of plantaardige afkomst, behalve het zwart, dat werd verkregen van een verbrand bot of een verbrand stuk hout. Twee technieken werden gebruikt: fresco (op het nog vochtige kalk) en beslag (met water verdund, op droge kalk). Sporen van muurschilderingen zijn in vele Romeinse villa's teruggevonden en in bijgebouwen. De vitrines op Malagne tonen enkele beelden van de vondsten hier. Het gebruik van klei voor de bouw was alom bekend onder de Galliërs. In het Gallo-romeinse tijdperk bouwde men ook scheidingswanden. Er zijn twee vooraanstaande bouwtechnieken hierbij: gebruik van pleisterspecie (van leem en gehakt stro) en gebruik van pisé (stampaarde, leemmortel). De pleisterspecie wordt toegepast op een scheidingswand van takken van een notenboom, die tussen twee in de grond geslagen houtpalen worden gehangen. De klei wordt op deze scheidingswand gesmeerd, beide zijden tegelijk, wat een stevige aanhechting bevordert. Voor pisé heeft men ook paaltjes of pootjes nodig, maar men kan er dikkere scheidingswanden mee maken. De klei wordt tegen de planken van een houten bekisting aangeduwd en aangestampt, die weer wordt weggenomen als de klei droog is. De grote nieuwigheid die de Romeinen hebben gebracht, is het gebruik van bakstenen in onze omgeving. Dit was een werkelijke ommezwaai in de manier van bouwen en er zijn vele werkplaatsen ontwikkeld, vooral langs de Romeinse weg tussen Bavay-Cologne en het spoor Sambre-et-Meuse. Nadat het klei gedelfd is wordt het buiten opgeslagen en gedurende enkele maanden blootgesteld aan weer en wind. Daarna wordt het gekneed om het soepel te maken en wordt er water toegevoegd. Het gehele produktieproces wordt uitgevoerd met behulp van mallen en vormen waarin de klei wordt rondgeslingerd opdat alle hoeken en gaten goed worden opgevuld. De stenen worden vervolgens uit de mallen gehaald en te drogen gelegd in een goed geventileerde loods. Na enkele weken, als de stenen droog zijn, worden ze in een grote steenoven gebakken, met behulp van een grote hoeveelheid brandhout om de temperatuur rond de 800°C. te houden. |
|